Selecteer een pagina

Het is een donderdag in 2005. De schoonheidsspecialiste masseert mijn gezicht met een of ander lekker smeerseltje. Ik ben voor het eerst bij haar, een maand of wat na het overlijden van mijn dochter. 

Ik vind het maar wat moeilijk om naar buiten te gaan, buiten de veilige cocon van familie en vrienden die weten wat er is gebeurd. Ik doe het WEL omdat ik weet dat ik me niet eeuwig kan blijven verstoppen.

‘Heb je kinderen?’

Mijn adem stokt. Gedachten flitsen door mijn hoofd. Hoe geef ik hier nu antwoord op? Zal ik nee zeggen? Nee! Dat kan niet! Dan verloochen ik mijn kind. Maar als ik ja zeg, moet ik het zometeen uitleggen, want dan vraagt ze vast verder. 

Ik slik. Voel tranen prikken.

‘Ik heb een dochter…’, aarzel ik, ‘maar ze leeft niet meer’.

Verschrikt laat ze mijn gezicht los. Ze kijkt me aan, tranen in haar ogen.

‘Oh, sorry! Ik snap niet waarom ik dat juist nu vraag. Dat doe ik eigenlijk nooit. Mijn vriend en ik kunnen geen kinderen krijgen namelijk. Ik heb zo’n hekel aan die vraag’.

Er ontstaat een heel mooi en warm gesprek over verlies en wens hebben van een kind. Over aanvaarding en accepteren en hoe moeilijk dat is. Over een nieuw perspectief krijgen op het leven. 

We begrijpen elkaar. Ook al zijn onze situaties heel verschillend, het verlangen, de wens en de onbekende toekomst zijn er bij ons allebei. Verdriet en hoop gaan hand in hand.

Dankbaar stap ik even later op de fiets. Hoe moeilijk het ook was, ik heb deze stap gezet om de wereld weer in te gaan. En alsof het zo heeft moeten zijn ontmoette ik daarbij een prachtvrouw, met wie ik even leed én lief mocht delen.

Hoe ervaar jij dat? Krijg jij die vraag wel eens? En wat antwoord je dan?